Is dat echt gebeurd of verzonnen?

kabouter echt gebeurd

Kinderen vragen het bijna altijd. Volwassenen stiekem ook. Is dat nou echt gebeurd of heb je dat verzonnen?

Alle verhalen die ik vertel zijn echt gebeurd!

Als kinderen het vragen, speel ik vrijwel altijd de bal terug. Ik kijk ze serieus aan en zeg zo betrouwbaar mogelijk: “Alle verhalen die ik vertel zijn echt gebeurd.” Dan laat ik een pauze vallen. Meestal zijn een paar kinderen diep onder de indruk. Maar vaak roept er ook eentje: “Echt niet!”. En dan zeg ik met een mysterieuze blik: “Maar, hmmm, niet alle kinderen geloven mij als ik dat zeg.”

En dan gaan we stemmen. Wie denkt dat het wel echt gebeurd is? Wie weet zeker dat het niet echt gebeurd is? Wie twijfelt? En waarom?

De kinderen komen met de mooiste redenen. Tot er uiteindelijk eentje vraagt: “En, is het nou echt gebeurd?”.

Dan glimlach ik, en zwijg.

Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar

Voor hele jonge kinderen (tot zo’n 7 jaar), is het nog heel normaal dat fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen.

Onlangs was ik op een barbecue met mijn familie. Mijn tante vroeg me of ik nog wist van de kabouters.

“De kabouters?”

“Ja”, zei ze, “als jij hier logeerde, gingen we vaak naar het bos. En als je oom dan een kabouter zag, dan zakte jij door je knieën en keek met grote ogen dezelfde kant uit. Dan vroegen we fluisterend: “Zie je hem?”.

En dan zag jij die kabouter lopen.

Ik was toen ongeveer een jaar of 5, en kabouters, die kon je nog gewoon buiten tegenkomen! Wat een fijne herinnering.

Is dat echt gebeurd?

De vraag of iets ‘waar’ of ‘echt’ is, komt vaak pas rond zo’n 7 of 8 jaar. Zo’n beetje dezelfde tijd dat kinderen vraagtekens bij Sinterklaas gaan zetten.

Grappig genoeg kunnen kinderen van die leeftijd tegelijkertijd heel stellig zeggen: “sinterklaas is niet echt”, maar er onmiddelijk weer in geloven als ze hem zien. Net zoals ze stellig tegen mij kunnen beweren dat kabouters niet bestaan en een paar zinnen later me kunnen vragen welke kleur muts ‘ie op had.

Napraten met iets oudere kinderen

Toen ik het verhaal ‘Het Zandkasteel‘ vertelde aan kinderen van een jaar of 7, waren de meningen verdeeld. We praatten er over na. Sommigen geloofden het helemaal. Anderen waren sterk overtuigd: dat kan helemaal niet. Velen twijfelden. En eentje zei: Nou, ik geloof het wel, maar niet dat dat vlaggetje op dat zandkasteel er nu nog staat.

Ze probeerden elkaar te overtuigen. Je zag ook wat je bij volwassenen ook ziet. Ze keken naar hun vriendjes en vriendinnetjes. Wat dachten die? Geloven dat iets waar is heeft niet alleen met argumenten te maken, maar juist ook met groepsdruk en wie het ook wel of niet gelooft.

Een wereld vol verwondering

Na die leeftijd wordt het steeds belangrijker voor veel kinderen en volwassenen om ‘echt gebeurd’ en ‘fantasie’ van elkaar te scheiden.

Toch, als je eerlijk bent, is dat vaak niet echt mogelijk. Want onze wereld zit vol wonderlijke, onverklaarbare dingen. We weten meer niet dan wel. En hoe meer we ontdekken, hoe meer we erachter komen dat we nog zoveel niet weten.

Soms kun je ook gewoon genieten, je verwonderen, in plaats van je af te vragen hoe iets werkt, of iets klopt en wat er ‘echt’ aan is.

En daarom geef ik volwassenen ook vrijwel altijd een ontwijkend antwoord, als ze me vragen naar de echtheid van een verhaal. Want, zoals verhalenvertellers met een knipoog zeggen:

“Never let the truth get in the way of a good story.”

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *